[Column Nanda Roep] Kwijt


Foto: Richard Havenaar
Column Nanda Roep

Kwijt

  Column

Door de voortdurende lockdown gebeurde er niets. Het was saai, het was leeg... Het hoogtepunt was nog dat ik mijn handschoen kwijtraakte. Daarna had ik tenminste iets te doen; ik kon op zoek. Tussen Beekpark en de Grote Kerk zou hij moeten liggen, ergens in het donker.

In mijn gezin sta ik bekend als een superspeurder. Dat komt door enkele bijzondere vondsten die ik in mijn leven heb gedaan.

De eerste keer gebeurde het in Amsterdam. Met een vriendin had ik gegeten op een terras (lees: op een stoep) achter het Rembrandtplein, toen ik ontdekte dat het zooltje van mijn hak ontbrak. Ik droeg pumps, dus het ging om een zooltje van misschien één bij een halve centimeter.

Ik wilde pertinent terug naar de Kalverstraat om het te zoeken – waar in die jaren nog keitjes lagen. Mijn vriendin zuchtte dat het onmogelijk was. Ik zou het nooit vinden. Net op het moment dat ik haar gelijk wilde geven, raapte ik mijn mini-zooltje tussen de keien vandaan. Voilà, het onmogelijke was geschied.

Jaren later gebeurde het in Rotterdam. Een goudkleurige knoop van mijn jas was verdwenen. Ergens tussen de winkelstraat, koopgoot en de Markthal moest die zijn. Samen met Silvester ging ik terug, het was inmiddels gaan regenen. Opnieuw leek het onmogelijk, hij zag er geen heil in, het was veel te druk... En toen raapte ik de knoop ineens op. In een ontstaan regenplasje naast een goot. Sindsdien ben ik dé speurneus.

Dus ja, die handschoen zou ik ook vinden. Ik kon niet wachten op de bewondering die mij ten deel zou vallen. Maar goed, ik was nog maar amper op weg of ik zag hem al liggen. Aan de overkant van het kruispunt bij Orpheus.

Was het mijn handschoen, een schaduw, of toch een putje in de stoep? Halverwege het oversteken wist ik al dat het mijn handschoen was. Nu had ik hem wel teruggevonden, maar dit was zó gemakkelijk geweest. Ik hield er niet eens een sterk verhaal aan over.

Meer berichten

Het lokale nieuws in uw mailbox ontvangen?

Aanmelden