Tijd in tehuis bepaalt hele leven. ‘Het was een regime van verdeel en heers’


<p>Barbara Hoijtink (links) werd in 1977 bij de Zusters van de Goede Herder in Almelo geplaatst. De Apeldoornse vertelt erover in het boek Strafkind van Wieke Hart (rechts). &nbsp;(foto Gert Perdon)</p>

Barbara Hoijtink (links) werd in 1977 bij de Zusters van de Goede Herder in Almelo geplaatst. De Apeldoornse vertelt erover in het boek Strafkind van Wieke Hart (rechts).  (foto Gert Perdon)

(Foto: )

Tijd in tehuis bepaalt hele leven. ‘Het was een regime van verdeel en heers’

Apeldoorn - Ze moesten dwangarbeid verrichten, mochten niet praten en werden om het minste of geringste opgesloten. Het is niet overdreven om te stellen dat ze werden afgebeuld, de duizenden meisjes die tussen 1860 en 1979 verbleven in de katholieke opvanghuizen van de Zusters van de Goede Herder. Wieke Hart en Maria Genova schrijven erover in ‘Strafkind’, een boek dat veel losmaakte bij Barbara Hoijtink (60). De Apeldoornse werd in 1977 bij de Zusters van de Goede Herder in Almelo geplaatst en vertelt voor het eerst haar verhaal.

Door Bert Nijenhuis

“Ik kom uit een gezin met vijf kinderen. Toen ik tien was, gingen mijn ouders uit elkaar. Een paar jaar later werd ik naar een psychiater gestuurd om de vechtscheiding te verwerken. Op mijn zestiende kwam ik daar nog steeds. Waarom wist ik niet, maar ik kreeg sterk het gevoel dat er iets mis met mij was. Ik wilde het huis uit en weg bij de psychiater en zo kwam ik bij de Zusters van de Goede Herder in Huize Alexandra terecht. Dat betekende ook dat ik kon stoppen met de opleiding tot laborant, wat ik toen alleen maar fijn vond.”

“De kennismaking was heel vriendelijk. Een aardige non zei: ‘Als jij niet naar school wilt, hoeft dat niet. Hier kun je leuk leren naaien.’ Vrij snel daarna bracht mijn moeder me weg met wat kleren, waarin ik 56 moest naaien, want dat werd mijn nummer. Bij aankomst kreeg ik een chambrette toegewezen en elke deur ging letterlijk achter me op slot. Je kon er nooit vrij rondlopen. Er gingen zelfs nonnen mee naar de wc. Ze hadden nachtdiensten om de slaapzalen te bewaken. Wat werk betreft, waren er drie smaken: handdoeken stikken, kleding verstellen of kleding maken voor de andere meisjes. Ik moest kleding gaan naaien. Wij droegen daar voornamelijk zelfgemaakte kleding van reststoffen. Twee keer per jaar mochten we onder begeleiding persoonlijke kleding kopen. Die winkelmomenten waren de enige momenten dat we buiten de muren kwamen, op een incidenteel wandelingetje met de hele groep na.”

“Binnen waren de dagen lang. ’s Ochtends vroeg ging de bel en werd het licht aangedaan. Je moest je wassen onder een koude kraan en eten wat er geserveerd werd. Deed je dat niet, dan volgden er sancties voor de hele groep. Het was een regime van verdeel en heers. Ik was bang en braaf en kreeg slechts een paar keer straf. Dan moest ik de slaapzaalvloer vegen met een heel klein borsteltje. Na het ontbijt moest ik naar de naaizaal. Nog steeds raak ik in paniek bij het zien van een trapnaaimachine. We zaten erachter tot het avondeten. Daarna mochten we wat lezen of handwerken, onder toezicht uiteraard. Na een jaar eindeloos kleren naaien zonder ervoor betaald te krijgen, mocht ik twee dagen in de week op een peuterspeelzaal gaan werken. Daar had ik geluk mee, want de man van een collega was wiskundeleraar. Tussen de middag at ik bij hen thuis en zij hebben ervoor gezorgd dat ik weer naar school kon gaan. “Wat heb je gedaan dat je Huize Alexandra zit?’ was de eerste vraag van mijn klasgenoten. Dit gaf me gelijk het gevoel dat ik slecht nieuws was. Het allerergste vond ik het als een non tijdens het kopen van kleding tegen een winkelmeisje zei: ‘Wij zijn van Huize Alexandra, mogen we korting?’ Dat meisje keek me vervolgens meewarig aan en gaf me het gevoel dat er iets goed fout met me was. Een van de redenen waarom ik later niet durfde te praten over mijn tijd bij de nonnen. Die enkele keer dat ik naar huis mocht, vertelde ik mijn moeder niets over mijn ervaringen. Ik had toen ook nauwelijks door dat het beleid van de nonnen zo vreselijk was. Ik dacht dat het aan mij lag.”

Zelfstandig

“Tweeënhalf jaar heb ik in Huize Alexandra gezeten. Het laatste half jaar hoorde ik bij de eerste groep meisjes, die begeleid gingen wonen. We kregen een plekje aan de voorkant van het tehuis, moesten zelf koken en hadden iets meer vrijheid. Je mocht op kamers als je overging naar de vijfde klas van de Havo. Toen het voor mij zover was, moest ik zelf woonruimte zien te vinden. Ik heb daar geen enkele hulp bij gekregen. Door bij winkels om raad te vragen, ben ik wonder boven wonder aan een kamer gekomen. Van de nonnen kreeg ik een vuilniszak voor mijn kleren en schoolboeken en ik vertrok op de fiets. Ik was van totaal afhankelijk in één klap geheel zelfstandig. Het examenjaar was zwaar. Ik ben amper naar school gegaan, maar heb het diploma wel behaald.”

“Praktische zaken zoals huishouden en koken ging wel, maar ik had niet geleerd hoe ik sociale contacten moest aangaan en onderhouden. Ik ben getrouwd met de eerste de beste man die ik tegenkwam. Ik heb het vak meubelstofferen geleerd en vijftien jaar mijn eigen bedrijf gehad. Helaas had ik een agressieve buurman, die een gezamenlijke poort per se gesloten wilde houden. Ik kan niet tegen opgesloten zitten en in de gaten gehouden te worden. Een gevolg van het regime bij de nonnen. Ik belandde in een diep dal. Mijn huwelijk strandde na 25 jaar en ik kon mijn zaak niet meer aan. Ik ben daarop in Slowakije gaan werken en heb vervolgens nog een aantal jaren in Portugal gewoond. Sinds twee maanden ben ik weer terug in Nederland.”

“Het afgelopen jaar ben ik pas gaan inzien welke impact het verblijf bij de nonnen op mijn leven heeft gehad. Ik ben erover gaan praten, omdat het een verhaal is dat verteld moet worden. Tehuiskinderen zou gevraagd moeten worden wat ze is overkomen in plaats van wat ze hebben gedaan. Het zijn geen daders, maar kinderen met pechouders. Het is fantastisch dat deze geschiedenis nu zo sterk en indringend is verwoord in ‘Strafkind’. Het boek helpt mij om met het verleden af te rekenen en laat zien dat het toch altijd goed is om aan de bel te trekken. Daarom is het ook zo belangrijk dat misstanden in jeugdinstellingen worden vastgesteld, erkend en gecompenseerd.”

Meer berichten

Het lokale nieuws in uw mailbox ontvangen?

Aanmelden